Binnenhof

Het Stadhouderlijk Kwartier, gelegen aan de westzijde van het Binnenhof in Den Haag, vormde eeuwenlang de residentie van de stadhouders van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dit complex van historische gebouwen ontstond in fasen en speelde een centrale rol in de Nederlandse politieke geschiedenis.

Oorsprong bij de graven van Holland

Het Binnenhof begon rond 1229-1250 als grafelijk hof van de graven van Holland, met een kern van woonkwartieren zoals het Rolgebouw en de Haagtoren.

Prins Maurits van Oranje nam in 1585 een bestaand gebouw in gebruik als zijn paleis, toen het Binnenhof de zetel van de Staten-Generaal werd. Hij verbouwde en breidde het uit, met de iconische Mauritstoren (1592-1598) op de hoek bij de Hofvijver.

Prins Maurits krijgt in de Grote Zaal in het Binnenhof de Orde van de Kousenband uitgereikt. 1613.

Uitbreidingen onder Frederik Hendrik

Frederik Hendrik, opvolger van Maurits in 1625, verhief het hofleven tot nieuwe hoogten met Franse invloeden. In 1632 liet hij een drielaags aanbouw naast de Mauritstoren optrekken en in 1639-1641 een nieuwe vleugel richting de Hofkapel, inclusief een overwelfde galerij met toscaanse zuilen.

Tijdens het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672) namen de Staten van Holland een deel over; Pieter Post verbouwde Binnenhof 21-23 in 1652-1657 tot vergaderzaal. Later, onder Willem V, kwam er in 1776-1793 een nieuw Stadhouderlijk Kwartier aan de zuidwesthoek, met een balzaal die tot 1992 de Tweede Kamer huisvestte.

Voormalige balzaal van prins Willem V.

Tegenwoordig

Vandaag herbergen restanten zoals de Mauritstoren en Stadhouderspoort (1620) kantoren van de Raad van State en Eerste en Tweede Kamer. Het kwartier symboliseert de overgang van grafelijk hof naar nationaal politiek centrum.