Paleis Noordeinde in Den Haag is een iconisch koninklijk paleis met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de 16e eeuw. Tegenwoordig dient het als werkpaleis van Koning Willem-Alexander.
Vroege oorsprong
De eerste vermelding van het Noordeinde dateert uit 1370 in een akte van Albrecht van Beieren. In 1533 liet de rijke grafelijk ambtenaar Willem Goudt een middeleeuwse hofstede verbouwen tot een groot woonhuis, bekend als ‘die huysinge van Willem Goudt’.
Het pand wisselde meerdere keren van eigenaar, waaronder Guillaume Le Grand en de familie Van Persijn, tot de Staten van Holland het in 1609 kochten en schonken aan Louise de Coligny, weduwe van Willem van Oranje, en haar zoon Frederik Hendrik.
Verbouwing door de Oranjes
Frederik Hendrik liet het paleis in 1640 verbouwen door architecten Jacob van Campen en Pieter Post in Hollands-classicistische stijl, met verlengde vleugels en een nieuwe gevel. Na zijn dood in 1647 ging het over op zijn zoon Willem II en later op Willem III.
Het gebouw, ook wel ‘Het Oude Hof’ genoemd, kwam via erfenisgeschillen in Pruisische handen, maar werd in 1754 verkocht aan Anna van Hannover, grootmoeder van Koning Willem I.
Koninklijk paleis

Na 1813, bij de terugkeer van Willem I, werd het paleis vanaf 1817 grondig verbouwd en uitgebreid als winterpaleis voor de koningen Willem I, II en III. Koningin Sophie en Koningin Wilhelmina woonden er ook, en het was daarnaast de geboorteplaats van koningin Wilhelmina (1880) en koningin Juliana (1909).
In 1948 verwoestte een brand het middengedeelte, maar werd dit wel terug gerestaureerd. Koningin Juliana koos Paleis Soestdijk als residentie, terwijl delen voor kantoren dienden.
Huidig gebruik
Sinds 1984 is Paleis Noordeinde het werkpaleis van de koning, eerst Beatrix en nu Willem-Alexander. Het complex omvat de Koninklijke Stallen, Huisarchief en Paleistuin, en is eigendom van de Staat.

Boekentip. Paleis Noordeinde vierhonderd jaar ‘Hoff van Oraignen’ van Eymert Jan Goossens.