Het Vredespaleis in Den Haag staat symbool voor vrede en internationaal recht. Dit bijzondere gebouw huisvest sinds 1913 het Internationaal Gerechtshof en het Permanent Hof van Arbitrage.
Oorsprong bij vredesconferenties
Het idee voor het Vredespaleis ontstond tijdens de Eerste Haagse Vredesconferentie van 1899, geïnitieerd door tsaar Nicolaas II. Deze conferentie richtte het Permanent Hof van Arbitrage op, dat een permanent onderkomen nodig had.
In 1900 discussieerden Russische diplomaat Friedrich Martens en Amerikaan Andrew Dickson White over passende huisvesting. Den Haag werd gekozen vanwege de conferentie, resulmerend in een ’tempel voor de vrede’.

Financiering door Andrew Carnegie
Miljonair Andrew Carnegie doneerde in 1903 1,5 miljoen dollar via de Carnegie Stichting. Hij financierde ook de bouw en bibliotheek, met als motto dat rijk sterven ‘een schande’ is.
De stichting organiseerde een internationale prijsvraag met 216 inzendingen. Fransman Louis Marie Cordonnier won, maar het ontwerp werd aangepast voor budget: één grote toren in plaats van meerdere.
Bouw en internationale bijdragen
Bouw startte in 1907 tijdens de Tweede Vredesconferentie, waar de eerste steen symbolisch werd gelegd. Onder leiding van Nederlandse architect Johan van der Steur duurde het vier jaar.
Landen schonken materialen: Duitsland het hekwerk, Zwitserland klokken, Indonesië en de VS hout. Tuinen ontwierp Thomas Mawson, met vereenvoudigingen voor kosten.
Opening en latere rol
Koningin Wilhelmina opende het paleis op 28 augustus 1913, in aanwezigheid van Andrew Carnegie. Oorspronkelijk voor arbitrage en bibliotheek, werd het later zetel van het ICJ sinds 1946.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bezet en beschadigd, maar de bibliotheek bleef grotendeels intact. Vandaag blijft het een symbool van ‘Vrede door Recht’.
Huis Rustenburg

Op de grond van het Vredespaleis stond vroeger het Huis Rustenburg, dit landhuis was in bezit van koning Willem II en koningin Anna Paulowna.
Het landgoed, oorspronkelijk bekend als Rust en Lust tot 1758, was sinds eind 17e eeuw in bezit van de familie Reede van Ginkel. Raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel huurde het tijdelijk, voordat koning Willem II het in 1847 of 1848 aankocht en het voegde bij zijn landgoed Sorghvliet. Willem II droomde van een groots neogotisch paleis, ontworpen door de Britse architect Henry Ashton, maar dit plan ging niet door door geldgebrek en zijn vroege dood in 1849.
Na Willem II’s overlijden woonde Anna Paulowna er tot 1865, waar ze een Russisch-orthodoxe kapel inrichtte. Ondanks financiële problemen weigerde ze in 1859 grond te verkopen voor een park achter de Zeestraat. Ze bracht er zomers door, terwijl ze vaak op het nabije Buitenrust verbleef.
Na Anna’s dood verkocht dochter Sophie het aan Adriaan Goekoop, die in 1905 deels aan de staat verkocht. In 1912 werd het huis gesloopt voor het Vredespaleis.